Cijfers over gokken

Voor de meeste mensen blijft gokken een recreatieve vorm van vrijetijdsbesteding. Sommige mensen vertonen risicovol gokgedrag. Het gokken is niet altijd meer onder controle. Er is een verhoogde kans op het ontwikkelen van problematisch gokgedrag en het ontstaan van problemen. Deze groep noemen we risicospelers. Bij een klein gedeelte van de mensen loopt het gokken uit de hand en ontwikkelt het gokken zich in een verslaving, waarbij de gokker de controle over zijn eigen gokgedrag verliest: probleemspelers. Gokproblemen of een gokverslaving gaan meestal gepaard met financiële problemen. Dit kan leiden tot verwaarlozing van partner/familie, verlies van werk, schulden en stemmingsveranderingen (prikkelbaar, rusteloos, of teruggetrokken).1

Hoeveel mensen gokken?

Volgens de meest recente cijfers van Intraval (2016) heeft 88% van de Nederlandse bevolking van 16 jaar of ouder ooit in hun leven gegokt, waarvan 62,1% in het afgelopen jaar.2 Twaalf procent van de Nederlanders heeft nog nooit deelgenomen aan een kansspel. Als we kijken naar het soort kansspel zien we dat loterijen met afstand het populairst zijn: 54,4% van de ondervraagden heeft dit in het afgelopen jaar gespeeld. Gevolgd door krasloten (9,5%), speelautomaten (6,2%), bingo (5,6%) en casinospelen (5,5%). Andere kansspelen (1,6%) en wedden op paardenraces (0,5%) zijn het minst populair onder de Nederlanders.

Online

Naar schatting gokken rond de 486 500 mensen wel eens illegaal online (zo'n 3.5%).2 Online spelers spelen vooral short-odds-kansspelen. Dit zijn spellen waarbij het direct bekend is of iemand gewonnen of verloren heeft. Uit onderzoek is bekend dat deze short odds kansspelen extra verslavings-potentieel hebben.3

Scholieren en gokken

Uit het onderzoek Jeugd En Riskant Gedrag (2015) komt naar voren dat van de 12- t/m 16-jarige scholieren in het voortgezet onderwijs een kwart (25%) in het afgelopen halfjaar een online kansspel heeft gespeeld, al dan niet voor geld. Online poker werd het vaakst gespeeld (11,3%), op de voet gevolgd door online bingo (11,2%) en daarna door een online sportweddenschap (9%). Jongens spelen twee keer zo vaak (32%) een online kansspel dan meisjes (16%). Online gokken voor geld is in het afgelopen half jaar gedaan door vijf procent van de scholieren in het voortgezet onderwijs. Online sportwedstrijden werden het vaakst gespeeld voor geld (3%), op afstand gevolgd door online poker (1%).4

Probleemspelers en risicospelers

Het overgrote deel van alle gokkers (60,8%) speelt recreatief en ervaart hierdoor geen problemen.2 Maar bij een klein gedeelte loopt het gokken uit de hand en ontwikkelt het gokken zich in een verslaving, waarbij de gokker de controle over zijn eigen gokgedrag verliest. Dit zijn met name spelers die op fruitautomaten spelen. Het precieze aantal probleemspelers in Nederland is niet bekend. Na schattingen zijn er ca 95.700 risicospelers (0,7%) en 79.000 probleemspelers (0,6%). De overige 37,9% behoort tot de groep niet-recente spelers.2

Hulpzoekenden

In 2015 hebben zich 2.168 mensen met gokproblemen bij een instelling voor verslavingszorg gemeld.5 Daarmee zet de dalende trend in het aantal hulpvragen voort. Het grootste deel van de hulpzoekende zijn mannen (87%) tussen de 25 en 39 jaar (ca. 50%) van Nederlandse afkomst (74%). Zij hebben vermoedelijk vooral problemen met fruitautomaten en casinospelen, terwijl we in toekomst verwachten dat er meer problemen gaat onstaan rondom online spelen. 6,7

Van de hulpzoekenden zijn en relatief kleine groep jonger dan 25 jaar. Deze groep is echter in de afgelopen 10 jaar enigszins toegenomen, van 10% in 2006 naar 16% in 2015.

Ongeveer 78% van de hulpzoekers wordt uitsluitend behandeld voor kansspelverslaving, de resterende 22% heeft een meervoudig verslavingsprobleem. Belangrijkste hiervan zijn alcohol- (7%) en nicotineverslaving (6%).5

Gokken als nevenproblematiek

Behalve de 2.168 mensen met een kansspelverslaving zijn er nog eens 900 personen die gokken als nevenproblematiek hebben. Dat houdt in dat mensen voor iets anders in behandeling zijn, maar daarnaast ook problematisch gokken. Gokken als nevenproblematiek komt het meest voor samen met alcohol (42%), cannabis  (21%) en cocaïne (17%).5

Anonieme zorg

Anonieme zorg (zoals www.gokkendebaas.nl en www.zelfhulpgokken.nl) wordt niet geregistreerd in de cijfers van reguliere verslavingszorg. Deze groep hulpzoekers wordt dus niet meegenomen. Bij Jellinek is het aantal mensen dat zelfhulp zocht wel bekend, zie Tabel 2.

 

Behandelkloof

Het aantal hulpzoekers is slechts een klein deel van het totaal aantal probleemspelers, geschat met bevolkingsenquêtes. Zo waren er in 2015 bijvoorbeeld 2.168 hulpzoekers, terwijl Intraval (2016) uitkwam op ruim 80.000 probleemspelers. Er is dus sprake van een grote behandelkloof. Een reden hiervoor kan zijn dat probleemspelers over het algemeen pas in een laat stadium hulp vragen. Pas als er hoge schulden zijn ontstaan is het voor spelers en hun omgeving duidelijk dat er iets moet gebeuren. De meeste problematisch gokkers zoeken pas hulp bij de verslavingszorg onder druk van familie, huisarts of financiële instellingen.2

Kansspelverslaving in vergelijking met andere verslavingen

Kansspelverslaving lijkt op dit moment minder vaak voor te komen dan verslaving aan verdovende en stimulerende middelen, zo blijkt uit de kerncijfers verslavingszorg 2014. In 2014 waren er iets meer dan 2000 mensen die bij de verslavingszorg hulp zochten voor hun gokproblemen. Bij andere middelen ligt dit aantal veel hoger. Cocaïneverslaving komt bijvoorbeeld drie keer zo vaak voor binnen de verslavingszorg als gokverslaving, cannabisverslaving vier keer en een alcoholverslaving zelfs bijna veertien keer zo vaak. Ook onder jongeren blijkt een gokverslaving relatief minder vaak voor te komen dan een verslaving aan alcohol of andere middelen.4

 

1. Goudriaan, A. Pathologisch gokken: Impulscontrolestoornis en gedragsmatige verslaving. 2007

2. Kruize A, Boendermaker M, Sijtstra M, Bieleman B. Modernisering kansspelbeleid. Nulmeting 2016. 2016. https://www.wodc.nl/binaries/2573b-volledige-tekst_tcm28-124446.pdf

3. De Bruin, D. E. (2015). Kansspelverslaving, risico’s en preventie. Literatuuronderzoek naar de risico’s van kansspelen en de aard en effectiviteit van preventieve maatregelen. Utrecht: Kansspelautoriteit & CVO.

4. Van Dorsselaer S, Tuithof M, Verdurmen J, Spit M, van Laar M, Monshouwer K. Jeugd En Riskant Gedrag 2015. Kerngegevens Uit Het Peilstationsonderzoek Scholieren. Utrecht: Trimbos - instituut; 2016 https://assets.trimbos.nl/docs/8e6ef71f-d74e-4696-a67b-98ef82fb2235.pdf.

5. Wisselink DJ, Kuijpers WGT, Mol A. Key Figures Addiction Care 2015. LADIS National Alcohol and Drugs Information System. Houten: Stichting Informatie Voorziening Zorg; 2016. http://www.ladis.eu/File/Key_Figures_Addiction_Care_2015.pdf.

6. Van Rooij, A. J., Vanden Abeele, M. M. P., & Van Looy, J. (2017). Gambling and Gaming in Belgium: Opportunities and Risks associated with Online Digital Gambling. Ghent, Belgium: imec-mict-Ghent University [reeks 37]. Retrieved from https://www.researchgate.net/publication/321423526_Gambling_and_Gaming_in_Belgium_Opportunities_and_Risks_associated_with_Online_Digital_Gambling

7. De Bruin, D. E. (2017). Assessment verslavingsgevoeligheid Nederlandse kansspelaanbod. Den Haag / Utrecht: Kansspelautoriteit & CVO. Retrieved from https://www.kansspelautoriteit.nl/publish/pages/4666/verslavingsgevoeligheid_kansspelaanbod_eindrapport_juli_2017.pdf